Vers gesmeerde lift?

Huidprotest.jpg

Ik ben nooit echt veel bezig geweest met hoe ik ruik. Zeep gebruiken, bijvoorbeeld, is met mijn huid eigenlijk het allerlaatste wat je wil doen. Het lost alle kleine beetjes vet die mijn onderpresterende huid weet op te brengen op en laat mijn lichaam onbeschermd, aangedaan en desolaat achter. Na een goede schrob-beurt, zelfs zonder zeep, hoor je mijn lichaam bijna schreeuwen.

“Hoe de fuck moet ik me nu beschermen tegen de rest van de dag? He, jij daar, eigenaar, weet je wel hoe eng het is om zonder vet tegen koude lucht, of nog erger, tegen een regenbui op te boksen?!”

Na een aantal jaar ben ik maar gaan luisteren naar mijn protesterende huid. Dus nu gebruik ik al sinds mijn puberteit op zeep-gebied niets dan shampoo. En dan zelfs alleen teershampoo of, als laatste redmiddel, shampoo van Neutral.

Oh man, de keren dat ik bij de kapper of bij iemand thuis mijn haar moest wassen met ‘extreem gezonde mensen’-shampoo. De jeuk… het branderige gevoel… de glans in mijn haar… de bloemetjesgeur… de horror!

In ieder geval komt het erop neer dat ik vooral ruik naar mijn geweldige zelf en natuurlijk naar mijn vrijwel geurloze basiszalven.

En het boeit me ook allemaal gewoon niet zoveel. Ik vind dat ik uit mezelf een fijne geur heb, dus schoon is goed genoeg en daarna ga ik gewoon weer verder met mijn leven. Van tijd tot tijd kan ik wel eens genieten van een hint van aftershave of parfum bij een partner, maar meestal vind ik sterk opgefriste mensen overdreven en zelfs overcompenserend overkomen. Ik heb zelf natuurlijk best wel geëxperimenteerd met geurtjes, maar ik gebruik ze zo sporadisch dat als ik het flacon pak om me op te doffen voor dat ene speciale feest, de geur me meestal doet herinneren aan de laatste pijnlijke break-up waar ik doorheen ben gegaan.

Want laten we eerlijk zijn, geurtjes gebruiken jullie vast ook enkel en alleen maar als laatste redmiddel om je relatie te redden.

Kortom, hoe mensen ruiken, en vooral hoe ik ruik, het gaat een beetje langs me heen. Tenminste… tot voor kort natuurlijk. Want het grote asfalteringsplan heeft hier behoorlijk verandering in gebracht. Ineens ben je geen neutrale factor meer, maar de oorzaak van dat vreemde geurtje. De vage geur van asfalt roept bij mensen de meest bizarre associaties op en vreemd genoeg hebben geen van deze te maken met een jonge aantrekkelijke vrouw of een hardwerkende professional.

In mijn privé-leven valt het effect nog wel mee. Ik ben nogal een open boek, dus de meeste mensen hebben genoeg medelijden opgedrongen gekregen voor al het zalf-werk wat ik moet doen (of daadwerkelijk een zalfpot en handschoentjes in hun handen gedrukt gekregen) om te weten waar die geur van lang-niet-schoongemaakte-radiator toch vandaan komt. Maar op mijn werk is dit een net iets ander verhaal. Als je je beste beentje voor zet om indrukwekkend en goed-functionerend over te komen, dan is klagen over je meest recente gezondheidsproblemen iets wat je graag vermijdt. Dus mijn verbanden zijn subtiel verborgen onder hippe kleding en het feit dat ik semi-verplicht coltruien draag wordt afgedaan als een fashion statement.

Maar dit verhullen van de visuele aspecten van mijn behandeling voorkomt het ontstaan van extreem gênante situaties helaas niet. Laat me het voor je schetsen:

Je staat rustig bij de lift te wachten, zo onopvallend mogelijk. Dan plotseling, uit het niets, komt die leuke collega langs lopen. Je weet wel, die ene waar je eigenlijk al een hele tijd indruk op wilt maken. Een groet. Een ongemakkelijke stilte. Een opmerking over het weer. Blozende wangen. De collega is wat wiebelig en kijkt wat ongefocused om zich heen. Hij leunt even naar de lift alsof hij zich afvraagt of er reparatiewerkzaamheden zijn geweest of dat er misschien een verdieping beneden een tosti-apparaat is doorgebrand. En dan weet je het eigenlijk al… De geur van je zalf is opgemerkt. Geen plek om te schuilen. Geen manier om snel weg te komen. Het contact is al gelegd en je afgang is onvermijdelijk. “Wat ruik ik toch?”, vraagt de collega onschuldig. “Ehm… ja… ehm… *bloos bloos*… dat ben ik”.

En je zakt door de grond. 

Zelfs de mensen die ik hebt gewaarschuwd vergeten vaak dat er tegenwoordig een raar geurtje aan me hangt. Die simpele, nietsvermoedende vraag zorgt ervoor dat ik niet anders wil dan urenlang in foetus houding onder mijn bureau liggen. Het liefst stel ik de confrontatie zo lang mogelijk uit en laat ik mensen een minuut rondzoeken tot ze iets zeggen en antwoord ik met een heel klein stemmetje.

En ze vinden het zelf ook echt wel vervelend hoor. De confronterende vraag wordt eigenlijk altijd gevolgd door een zichtbaar schuldgevoel. Maar dat helpt niet. Het komt zo ongelooflijk hard aan. Het gevoel vies te zijn. Je een last voelen voor mensen, overal waar je komt. En zeker in de kantoorruimte die ik met 7 anderen deel, kan dat gevoel verschrikkelijk isolerend zijn.


Deze post is ook gepubliceerd in Gaaf!, verenigingstijdschrift van de VMCE.

Artwork by Hanne Kause.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s